ECLI:NL:CRVB:2018:3419
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende inzicht in financiële situatie
Appellant had in 2007 zijn eigen bedrijf beëindigd en leefde sindsdien min of meer zwervend, onderhouden door vrienden en familie. Sinds maart 2015 huurde hij een kamer waarvoor hij huurachterstand had. Op 12 januari 2016 vroeg hij bijstand aan, maar het college weigerde dit omdat appellant niet met verifieerbare bewijsstukken kon aantonen hoe hij in zijn levensonderhoud had voorzien.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en in hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende duidelijkheid gaf over zijn financiële situatie, ondanks verzoeken om nadere informatie en bewijs. Ook zijn psychische situatie bood geen grond voor uitzondering, omdat hij zich had laten bijstaan.
Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad concludeerde dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen wegens het niet voldoen aan de medewerkingsplicht en het ontbreken van bewijs dat appellant in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd wegens onvoldoende bewijs van bijstandbehoefte.