ECLI:NL:CRVB:2018:3425
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ANW-uitkering ondanks voorlopige voorziening
Appellante ontving een ANW-uitkering die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) per 1 april 2013 werd ingetrokken vanwege onvoldoende arbeidsongeschiktheid. De voorzieningenrechter bepaalde in november 2013 dat de uitkering voorlopig betaalbaar moest blijven tot de hoofdzaak was beslist. De rechtbank en de Raad bevestigden later dat de herziening van de uitkering per 1 april 2014 rechtsgeldig was.
De Svb vorderde vervolgens de te veel betaalde uitkering over april 2014 tot februari 2015 terug, wat door appellante werd bestreden met het argument dat de voorlopige voorziening de betaling rechtvaardigde en dat terugvordering haar in financiële nood zou brengen.
De Raad oordeelde dat een voorlopige voorziening slechts een voorlopig oordeel is en niet bindend voor de hoofdzaak. De wettelijke verplichting tot terugvordering geldt, behalve bij dringende redenen, die hier niet zijn aangetoond. De financiële situatie van appellante is meegewogen, en er is geen sprake van noodsituatie die kwijtschelding rechtvaardigt.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de te veel betaalde ANW-uitkering en wijst het hoger beroep af.