ECLI:NL:CRVB:2016:1838
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van Zeben-de Vries
- M.C. Bruning
- L. Koper
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering op grond van arbeidsongeschiktheid volgens ANW bevestigd
Appellante, weduwe van een overledene, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij voor meer dan 45% arbeidsongeschikt werd beschouwd. De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering in met ingang van 1 april 2013 en later definitief per 1 april 2014, omdat zij minder dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beëindiging ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat haar functionele beperkingen door de Svb waren overschat en dat zij niet in staat was de voorgestelde functies te vervullen. Tevens stelde zij dat de functies waarop de beoordeling was gebaseerd niet tijdig aan haar waren bekendgemaakt.
De Raad oordeelde dat het medische oordeel gebaseerd was op een zorgvuldig onderzoek door verzekeringsartsen en dat de arbeidskundige beoordeling door een deskundige voldoende grondslag bood. De Raad stelde vast dat de nieuwe functies tijdig aan appellante waren toegezonden via haar gemachtigde en dat de uitlooptermijn correct was toegepast. De rechtbank had het beroep terecht ongegrond verklaard.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 april 2014, omdat appellante niet langer voldoet aan het arbeidsongeschiktheidscriterium van 45% zoals vereist in de ANW.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de nabestaandenuitkering per 1 april 2014 wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.