ECLI:NL:CRVB:2018:3445
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling recht op WW-uitkering bij laatstelijk vervulde tijdvakken in Italië
Betrokkene, met Poolse nationaliteit, werkte tot 2 mei 2014 in Italië en keerde daarna terug naar Polen. Op 22 mei 2014 vestigde zij zich in Nederland en vroeg op 30 september 2015 een WW-uitkering aan. Deze aanvraag werd afgewezen omdat zij volgens het Nederlandse recht geen recht had op een WW-uitkering.
De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd, stellende dat de Nederlandse wetgeving van toepassing was op grond van artikel 11 van Pro Verordening 883/2004. De Raad van Beroep oordeelt echter dat de beoordeling van het recht op uitkering aan artikel 61 van Pro die verordening moet worden getoetst, die vergelijkbaar is met artikel 67 van Pro de eerdere Verordening 1408/71.
Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie kan een werkloze die nooit in Nederland tijdvakken van verzekering heeft vervuld, geen WW-uitkering ontvangen op grond van Nederlandse wetgeving. Betrokkene had voorafgaand aan haar werkloosheid laatstelijk in Italië tijdvakken vervuld en niet in Nederland. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de eerdere uitspraak vernietigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Partijen kunnen binnen zes weken beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene op een WW-uitkering wordt ongegrond verklaard omdat zij geen tijdvakken van verzekering in Nederland heeft vervuld.