ECLI:NL:CRVB:2018:3483
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toekenning toegenomen WAO-uitkering wegens rugaandoening
Appellante was sinds 2000 arbeidsongeschikt wegens lage rugklachten en ontving een WAO-uitkering die in 2003 werd beëindigd. Zij verzocht later meerdere keren om herziening wegens vermeende toename van haar beperkingen, maar deze verzoeken werden afgewezen omdat onvoldoende medisch objectief bewijs bestond dat de toename binnen vijf jaar na beëindiging had plaatsgevonden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de verzekeringsarts niet vooringenomen was. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar gezondheid geleidelijk verslechterde en dat ook psychische klachten een rol speelden, maar kon dit niet met objectieve medische gegevens onderbouwen.
De Raad overwoog dat de toename van beperkingen als gevolg van de rugaandoening pas in 2011 medisch objectief is vastgesteld. Het rapport van de medisch adviseur bevestigde dit standpunt. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de toename van arbeidsongeschiktheid pas in 2011 is vastgesteld.