ECLI:NL:CRVB:2018:3489
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldige beoordeling
Appellante, voormalig inpakster, viel uit wegens psychische klachten en werd aanvankelijk toegelaten tot de WAO-uitkering. Het UWV trok deze uitkering meerdere malen in op grond van onvoldoende arbeidsongeschiktheid en onjuiste informatieverstrekking. Na een schikking werd de intrekking met terugwerkende kracht vastgesteld per 4 april 2011.
Appellante meldde een toename van haar arbeidsongeschiktheid vanaf september 2014, maar het UWV wees de aanvraag af omdat de toename buiten de vijfjaarstermijn na intrekking viel. Na bezwaar werd alsnog een medische en arbeidskundige beoordeling uitgevoerd, waarna het bezwaar ongegrond werd verklaard omdat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat het UWV een zorgvuldig onderzoek had verricht en dat er geen nieuwe medische stukken waren die het oordeel konden betwijfelen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen had, mede door medicatie en psychische klachten, en verzocht om een deskundigenonderzoek.
De Raad concludeert dat appellante geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd die het zorgvuldige onderzoek van de verzekeringsarts in twijfel trekt. Ondanks pogingen van het UWV om medische gegevens van de huisarts te verkrijgen, ontbraken deze, maar dit was niet te wijten aan het UWV. De Raad onderschrijft de motivering van het UWV en de rechtbank en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na een zorgvuldig onderzoek.