ECLI:NL:CRVB:2018:3496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante, werkzaam als secretaresse, viel in 2001 uit wegens tinnitus, vermoeidheid en pijnklachten. Het UWV kende haar een WAO-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 45-55%. Na een herbeoordeling in 2014 werd dit verhoogd naar 55-65%, maar later in 2015 weer verlaagd naar 45-55% op arbeidskundige gronden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. De Centrale Raad van Beroep toetste dit oordeel en concludeerde dat het medische onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was uitgevoerd en dat de rechtbank deugdelijk motiveerde waarom het beroep faalde.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen waren toegenomen, onderbouwd met MRI’s en rapporten van specialisten. De Raad oordeelde echter dat deze nieuwe medische stukken geen nieuwe inzichten boden die het eerdere oordeel konden wijzigen. De Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van november 2014, waarop het UWV zich baseerde, hield voldoende rekening met haar beperkingen.
De voorbeeldfuncties waarop de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling is gebaseerd, zijn medisch passend bevonden. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering en wijst het hoger beroep af.