ECLI:NL:CRVB:2018:3513
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling herziening bijstand en verrekening vakantietoeslag en reiskostenvergoeding
Appellante ontving bijstand volgens de WWB en had daarnaast inkomsten uit een dienstbetrekking in het kader van de WSW. Het college heeft bij besluit de bijstand over 2013 herzien en een bedrag teruggevorderd omdat het inkomen uit dienstbetrekking, inclusief vakantietoeslag en reiskostenvergoeding, in mindering was gebracht op de bijstand.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betwistte appellante dat het college een te hoog rekenpercentage hanteerde voor de vakantietoeslag en dat de korting maandelijks mocht plaatsvinden in plaats van alleen in mei. Tevens stelde zij dat de reiskostenvergoeding niet op de bijstand mocht worden gekort omdat het een vergoeding voor daadwerkelijk gemaakte kosten betreft.
De Raad oordeelde dat het college de aanspraak op vakantietoeslag correct forfaitair had vastgesteld conform de geldende ministeriële regeling en dat de korting over de vakantietoeslag maandelijks mocht plaatsvinden. Verder is vastgesteld dat de reiskostenvergoeding een bruto vergoeding betreft die niet valt onder de uitzonderingen van het middelenbegrip en derhalve terecht in mindering is gebracht op de bijstand.
Het hoger beroep faalt en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het college de vakantietoeslag correct heeft berekend en de bruto reiskostenvergoeding terecht in mindering is gebracht op de bijstand.