ECLI:NL:CRVB:2018:3518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 november 2018
Publicatiedatum
9 november 2018
Zaaknummer
16/6087 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid 35-45%

Appellant, werkzaam als logistiek medewerker, viel in 2004 uit met vermoeidheidsklachten en ontving vanaf 2006 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 stelde een verzekeringsarts een urenbeperking vast en werd de arbeidsongeschiktheid op 24,59% vastgesteld, waarna de uitkering werd ingetrokken.

In bezwaar werd de beoordeling herzien door een arbeidsdeskundige die de arbeidsongeschiktheid op 35,68% stelde, waarna het Uwv de WGA-vervolguitkering voortzette. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze voortzetting ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ME/CVS-ziekte serieus genomen moest worden en dat hij dit had bewezen met medische diagnoses en testen. De Raad stelde vast dat het Uwv het bestaan van ME/CVS erkent en dat de beperkingen, waaronder de urenbeperking, in de medische beoordeling waren verwerkt.

Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens overlegde die het oordeel van het Uwv zouden ondermijnen, bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak dat de voortzetting van de WGA-vervolguitkering terecht is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.

Uitspraak

16.6087 WIA

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
14 september 2016, 16/356 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 7 november 2018
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 september 2018. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.H.H. Fuchs.

OVERWEGINGEN

1.1.
Appellant is werkzaam geweest als logistiek medewerker voor gemiddeld 40 uur per week. Op 24 mei 2004 is hij uitgevallen met vermoeidheidsklachten. Appellant is met ingang van 24 juli 2006 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. Deze uitkering is met ingang van
24 april 2007 gewijzigd in een WGA-vervolguitkering.
1.2.
In 2015 heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Een verzekeringsarts heeft het dossier van appellant bestudeerd en hem gezien op het spreekuur van 25 juni 2015. In zijn rapport van dezelfde datum heeft hij, evenals bij een eerdere beoordeling in 2009, als diagnose vermeld 8N690, wat wil zeggen vermoeidheidssyndroom/benigne myalgische encefalomyelitis. Hij heeft appellant aangewezen geacht op fysiek gedoseerde werkzaamheden. In de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), eveneens van 25 juni 2015, heeft hij een urenbeperking opgenomen. Hij heeft appellant in staat geacht gemiddeld 30 uur per week te werken. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op basis van de drie functies met de hoogste lonen vastgesteld op 24,59%. Bij besluit van 8 juli 2015 heeft het Uwv, gelet hierop, de
WGA-vervolguitkering met ingang van 9 september 2015 ingetrokken, omdat appellant per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3.
In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven zich te kunnen vinden in de FML van 25 juni 2015. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens de geschiktheid van de geselecteerde functies opnieuw beoordeeld. Hij heeft daarbij enkele functies laten vallen in verband met het vereiste opleidingsniveau. Op basis van de resterende functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35,68%. Bij beslissing op bezwaar van 27 januari 2016 (bestreden besluit) heeft het Uwv, gelet hierop, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 8 juli 2015 gegrond verklaard en de
WGA-vervolguitkering per 9 september 2015 voortgezet, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen reden gezien om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en de juistheid van de conclusie daarvan. De verzekeringsartsen hebben rekening gehouden met de bij appellant bestaande vermoeidheidsklachten en in verband hiermee een urenbeperking tot 30 uur per week aangenomen. Ook waren zij bekend met de klachten van appellant als gevolg van de ontstekingen die hij heeft gehad. De rechtbank is niet gebleken dat het Uwv de medische beperkingen van appellant heeft onderschat.
3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat zijn ziekte ME/CVS volgens de wet serieus genomen moet worden. Volgens appellant heeft hij bewezen dat hij ME/CVS heeft. Het Kenniscentrum chronische vermoeidheid heeft deze diagnose in 2006 gesteld. De testen die bij dr. R. Elens zijn gedaan staan ook allemaal in verband met ME/CVS en tonen aan dat hij ziek is. Appellant heeft weliswaar na zijn (knie)operatie op 8 juni 2015 aan het Uwv bericht dat hij zich iets beter leek te voelen, maar ook dat hij hoopte dat hij verder kon en dat hij niet met zekerheid kon zeggen dat zijn klachten nu opgelost waren.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is voor een groot deel een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank aan dat oordeel ten grondslag heeft gelegd worden onderschreven. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd.
4.2.
Anders dan appellant lijkt te veronderstellen, wordt door het Uwv niet ontkend dat appellant lijdt aan ME/CVS. Dit blijkt al uit de in 1.2 en 1.3 genoemde rapporten van de verzekeringsartsen. Voorts is uit de zittingsaantekeningen van de rechtbank af te leiden dat het Uwv dit op de zitting van 15 augustus 2016 nog eens heeft bevestigd. De verzekeringsartsen hebben in de FML ook rekening gehouden met de daaruit voortvloeiende beperkingen. Met name de urenbeperking is daardoor ingegeven. Nu appellant in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens heeft overgelegd waaruit blijkt dat het Uwv zijn medische beperkingen op de datum in geding heeft onderschat, komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
4.3.
Voor een veroordeling proceskosten in de bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van
P.B. van Onzenoort als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op
7 november 2018.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) P.B. van Onzenoort

JL