ECLI:NL:CRVB:2018:3518
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voortzetting WGA-vervolguitkering bij arbeidsongeschiktheid 35-45%
Appellant, werkzaam als logistiek medewerker, viel in 2004 uit met vermoeidheidsklachten en ontving vanaf 2006 een WGA-uitkering. Na een herbeoordeling in 2015 stelde een verzekeringsarts een urenbeperking vast en werd de arbeidsongeschiktheid op 24,59% vastgesteld, waarna de uitkering werd ingetrokken.
In bezwaar werd de beoordeling herzien door een arbeidsdeskundige die de arbeidsongeschiktheid op 35,68% stelde, waarna het Uwv de WGA-vervolguitkering voortzette. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze voortzetting ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn ME/CVS-ziekte serieus genomen moest worden en dat hij dit had bewezen met medische diagnoses en testen. De Raad stelde vast dat het Uwv het bestaan van ME/CVS erkent en dat de beperkingen, waaronder de urenbeperking, in de medische beoordeling waren verwerkt.
Omdat appellant geen nieuwe medische gegevens overlegde die het oordeel van het Uwv zouden ondermijnen, bevestigde de Centrale Raad van Beroep de eerdere uitspraak dat de voortzetting van de WGA-vervolguitkering terecht is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WGA-vervolguitkering terecht is voortgezet op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.