ECLI:NL:CRVB:2018:3546
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewetuitkering na geschiktheid voor functie inpakker bevestigd
Appellante was tot februari 2014 werkzaam als schoonmaakmedewerkster en meldde zich in 2012 ziek. Het UWV stelde vast dat zij per 12 februari 2014 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en geschikt voor functies zoals inpakker. Na meerdere ziekmeldingen en medische beoordelingen besloot het UWV in november 2015 de Ziektewetuitkering te beëindigen, wat in bezwaar en beroep werd bevestigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en de beperkingen niet waren onderschat. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar klachten waren verergerd, maar kon dit niet overtuigend onderbouwen met nieuwe, relevante medische informatie.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat op grond van de Ziektewet recht op ziekengeld bestaat bij ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid, tenzij de verzekerde geschikt is voor een functie zoals vastgesteld bij de WIA-beoordeling. De Raad vond geen aanleiding om de eerdere medische beoordeling te herzien en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de Ziektewetuitkering terecht is beëindigd omdat appellante geschikt is voor de functie van inpakker.