ECLI:NL:CRVB:2018:3561
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek en vastgestelde beperkingen
Appellant meldde zich op 9 april 2013 ziek met hartklachten en ontving destijds een WW-uitkering. Na medisch onderzoek door een verzekeringsarts van het UWV op 9 maart 2015 werd vastgesteld dat appellant beperkt was voor zwaar fysieke arbeid, mede door hart-, endocriene en spanningsklachten. De arbeidsdeskundige bepaalde een verlies aan verdiencapaciteit van 31,33%. Op 26 maart 2015 besloot het UWV dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep had de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangevuld met beperkingen voor conflicthantering en werkzaamheden met verhoogd persoonlijk risico, waarna de arbeidsdeskundige de arbeidsongeschiktheid op 28,72% stelde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat er geen aanwijzingen waren dat relevante medische informatie was gemist.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn hand- en armklachten onvoldoende waren meegewogen, met name vanwege het Carpaal Tunnel Syndroom waarvoor hij in mei 2016 werd geopereerd. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat uit de medische stukken en het lichamelijk onderzoek door verzekeringsartsen geen afwijkingen aan handen en polsen rond de datum in geschil waren vastgesteld. Bovendien kon appellant werkzaamheden als schoonmaker verrichten tussen eind 2015 en maart 2016. De Raad onderschreef de eerdere conclusies en bevestigde dat appellant in staat was de geselecteerde functies te vervullen.
De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 maart 2016. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is geweigerd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.