ECLI:NL:CRVB:2018:3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht op WGA-uitkering na zorgvuldig UWV-onderzoek
Appellant was sinds 1997 werkzaam als allround productiemedewerker en raakte in 2008 arbeidsongeschikt door een bedrijfsongeval waarbij zijn pols werd gebroken. Vanaf 2010 ontving hij een WGA-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Na een herbeoordeling in 2015 stelde het UWV vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor het recht op uitkering verviel.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het UWV voldoende zorgvuldig onderzoek had verricht en dat de beperkingen niet waren onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn beperkingen, waaronder progressieve posttraumatische artrose, onvoldoende waren meegewogen, maar kon geen nieuwe medische gegevens overleggen.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en benadrukt dat de medische beperkingen en de functionele mogelijkhedenlijst adequaat zijn betrokken bij de beoordeling. Het verschil in arbeidsongeschiktheid tussen 2010 en 2016 wordt verklaard door het vinden van geschikte functies in 2016, wat destijds niet mogelijk was.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellant geen recht meer heeft op een WGA-uitkering.