ECLI:NL:CRVB:2018:3589
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsvermogen productiemedewerker
Appellante meldde zich op 28 juli 2010 ziek terwijl zij werkzaam was als productiemedewerker via een uitzendbureau. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe. Op 1 juli 2014 beëindigde het UWV deze uitkering met ingang van 6 april 2012, omdat appellante volgens een verzekeringsarts weer in staat werd geacht haar werkzaamheden te verrichten.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen het besluit eveneens ongegrond, stellende dat de rapporten van verzekeringsartsen een voldoende grondslag vormden en het onderzoek zorgvuldig was.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het oordeel van haar verzekeringsarts Hollander gevolgd moest worden en dat een onafhankelijk onderzoek had moeten plaatsvinden. De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige die na onderzoek concludeerde dat appellante per 6 april 2012 in staat was haar werkzaamheden te verrichten.
De Raad volgde het deskundigenrapport, oordeelde dat het UWV op goede gronden het recht op uitkering had beëindigd, en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante per 6 april 2012 in staat was haar werkzaamheden te verrichten en geen recht meer had op een Ziektewetuitkering.