Uitspraak
16.5660 WIA
28 juli 2016, 15/3090 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatstelijk werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek met psychische klachten na een arbeidsconflict. Het UWV stelde aanvankelijk een arbeidsongeschiktheid van 100% vast, maar na aanvullend onderzoek werd dit teruggebracht tot minder dan 35%.
Appellante voerde aan dat haar beperkingen, waaronder PTSS, paniekstoornis en zwakbegaafdheid, onvoldoende waren meegenomen en dat zij ook vanwege haar blindheid meer beperkingen zou moeten krijgen. Diverse medische en arbeidskundige onderzoeken, inclusief een psychiatrische expertise, wezen echter uit dat haar beperkingen minder ernstig waren dan door haar gesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De medische rapporten waren consistent en voldoende gemotiveerd, en de arbeidsdeskundige concludeerde dat de geduide functies passend waren ondanks haar beperkingen.
De Raad vond geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige en oordeelde dat het UWV-besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.