ECLI:NL:CRVB:2018:3652
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor tandheelkundige kosten ondanks onvoldoende vergoeding zorgverzekering
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een wortelkanaalbehandeling. Zijn zorgverzekeraar vergoedde slechts een deel van de kosten, waarna appellant het resterende bedrag bij het college van burgemeester en wethouders van Leiden aanvroeg.
Het college wees de aanvraag af omdat de Zorgverzekeringswet als een voorliggende, toereikende en passende voorziening geldt, ook als de maximale vergoeding is bereikt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.
De Raad overwoog dat volgens vaste rechtspraak de Zorgverzekeringswet in beginsel als toereikende voorziening geldt voor tandartskosten, ook als niet alle kosten worden vergoed. Dringende redenen voor bijzondere bijstand waren niet aannemelijk gemaakt, omdat er geen sprake was van een acute noodsituatie of onomkeerbare schade. De reeds betaalde kosten en het ontbreken van alternatieven speelden hierbij een rol.
Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de tandheelkundige behandeling wordt bevestigd omdat de Zorgverzekeringswet als toereikende voorliggende voorziening geldt.