Betrokkene was werkzaam als medewerker tuinbouw en meldde zich ziek in 2006. Het UWV kende hem vanaf 2008 een WGA-uitkering toe wegens volledige arbeidsongeschiktheid. In 2015 stelde het UWV vast dat betrokkene vanaf 16 februari 2016 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en trok de uitkering in. Betrokkene maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde het UWV vast dat betrokkene vanaf 1 mei 2016 geen recht had op een WIA-uitkering.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking van de WGA-uitkering en oordeelde dat betrokkene rond 16 februari 2016 volledig arbeidsongeschikt was, mede op basis van een deskundigenrapport. Het beroep tegen het tweede besluit werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege gebrek aan procesbelang.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank. De Raad volgde de onafhankelijke deskundige die concludeerde dat betrokkene geen inzetbare arbeidsmogelijkheden had rond de datum in kwestie. De Raad verwierp het tegenrapport van een door het UWV geraadpleegde psychiater. Het hoger beroep van het UWV werd afgewezen, het tweede besluit werd vernietigd en het UWV werd veroordeeld in de proceskosten.