ECLI:NL:CRVB:2018:3661
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens vervallen procesbelang in WIA-uitkeringszaak
In deze zaak betrof het hoger beroep tegen een besluit van het UWV inzake de mate van arbeidsongeschiktheid van een werkneemster en de daarop gebaseerde WIA-uitkering. Het UWV heeft het bezwaar van appellante, een B.V., gegrond verklaard en het besluit aangepast, waardoor het procesbelang van het hoger beroep verviel.
Appellante had verzocht om terugbetaling van ten onrechte betaalde WIA-uitkeringen, vergoeding van materiële schade en schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat appellante onvoldoende had onderbouwd welke schade zij had geleden door de overschrijding van de redelijke termijn, mede omdat zij een rechtspersoon is en geen natuurlijk persoon.
De Raad wees het verzoek om schadevergoeding af en verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak werd gedaan door R.E. Bakker namens de Centrale Raad van Beroep op 14 november 2018.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.