Uitspraak
16.5258 WIA
29 juni 2016, 15/6203 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant heeft een WIA-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht naar 1 januari 2009. Het UWV heeft dit afgewezen omdat niet is gebleken dat appellant in die periode arbeidsongeschikt was en hij vanaf 2011 niet meer verzekerd was. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en geoordeeld dat de medische stukken onvoldoende bewijs leveren dat de arbeidsongeschiktheid in de verzekerde periode is ontstaan.
Appellant voerde aan dat hij al vanaf begin 2009 ernstige psychische klachten had en dat zijn medische situatie gelijk was aan die van zijn tweelingbroer die wel een WIA-uitkering ontving. Hij stelde dat het UWV onredelijk handelde en verzocht om benoeming van een deskundige. De Raad overwoog dat de medische stukken, waaronder een behandelplan van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige, onvoldoende onderbouwing bieden voor arbeidsbeperkingen in de verzekerde periode. Ook is niet aannemelijk dat de situatie van appellant identiek was aan die van zijn tweelingbroer.
De Raad bevestigt dat het risico van het ontbreken van relevante gegevens bij een late aanvraag voor rekening van appellant komt. Er is geen reden om het UWV-besluit te vernietigen of een deskundige te benoemen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.