Uitspraak
17.2865 PW
3 maart 2017, 16/6698 (aangevallen uitspraak)
drs. H. van Golberdinge.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande, maar het college wees dit af omdat hij met K een gezamenlijke huishouding zou voeren. Na onderzoek en een gesprek concludeerde het college dat sprake was van wederzijdse zorg, waardoor appellant geen zelfstandig recht op bijstand had.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat hij de taal onvoldoende machtig was en dat hij huur had betaald, maar deze gronden werden verworpen. Uit verklaringen en een schuldverklaring bleek dat appellant geen huur betaalde maar geld leende van K, en dat zij zorg voor elkaar droegen.
De Raad concludeerde dat het college terecht oordeelde dat appellant en K een gezamenlijke huishouding voerden in de periode januari tot juni 2016. Hierdoor had appellant geen recht op bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.