ECLI:NL:CRVB:2018:3702
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- W.H. Bel
- A.B.J. van der Ham
- J.T.H. Zimmerman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bruto verrekening IOAW-uitkering ondanks geschil over netto toepassing belastingregels
Appellanten ontvingen een IOAW-uitkering en hadden daarnaast inkomen uit arbeid en een prepensioen. Het college herzag de uitkering vanaf februari 2016 omdat appellanten niet hadden gemeld dat zij een bruto prepensioen ontvingen. De bruto inkomsten werden in mindering gebracht op de bruto uitkering.
Appellanten maakten bezwaar omdat zij meenden dat de inkomsten netto op de netto uitkering verrekend moesten worden, conform artikel 5 van Pro de IOAW. Het college wees het bezwaar af, stellende dat de uitkering op bruto grondslag is vastgesteld door de minister en dat het college niet verantwoordelijk is voor het niet garanderen van nettobedragen.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat de netto verrekening gunstiger voor hen was en dat het brutobedrag in de regeling niet juist kon zijn. De Raad oordeelde dat onvoldoende duidelijkheid bestond over de juiste toepassing van belastingregels en dat appellanten dit niet met controleerbare gegevens hadden onderbouwd.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat het brutobedrag onjuist was of dat de netto-berekening correcter was. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de bruto verrekening van de IOAW-uitkering bevestigd.