ECLI:NL:CRVB:2018:3709

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2018
Publicatiedatum
22 november 2018
Zaaknummer
17/1239 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.13 Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalenArt. 8:66 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:105 AwbArt. 6:15 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd in hoger beroep Wet kinderopvang

De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake de afwijzing van een aanvraag om tegemoetkoming op grond van artikel 1.13 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) in verbinding met de Beleidsregel vergoeding kosten kinderopvang Utrecht 2013.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat zij niet bevoegd is om kennis te nemen van dit hoger beroep. Dit volgt uit de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarin is bepaald dat hoger beroep tegen een dergelijke uitspraak moet worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere rechter bevoegd is. In dit geval is dat niet zo.

Hoewel de rechtbank het besluit kwalificeerde als een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet, verandert dit niets aan de bevoegdheid van de Centrale Raad van Beroep. Daarom wordt het hoger beroepschrift doorgezonden naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 november 2018, met griffier A.M. Pasmans en voorzitter J.J.A. Kooijman.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd en zendt het hoger beroep door naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

17.1239 PW-PV

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 december 2016, 16/2799 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
Datum uitspraak: 13 november 2018
Zitting heeft: J.J.A. Kooijman
Griffier: A.M. Pasmans
Namens appellante is ter zitting verschenen mr. N. Saidi, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E. Chahid.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
De aangevallen uitspraak ziet op de afwijzing van de aanvraag om een tegemoetkoming op grond van artikel 1.13 van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wkkp) in verbinding met de Beleidsregel vergoeding kosten kinderopvang Utrecht 2013.
De aangevallen uitspraak is een uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Volgens artikel 8:104, eerste lid, onder a, van de Awb kan de belanghebbende tegen een dergelijke uitspraak hoger beroep instellen. Op grond van artikel 8:105, eerste lid, van de Awb wordt het hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, tenzij een andere hoger beroepsrechter bevoegd is ingevolge hoofdstuk 4 van de bij de Awb behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak dan wel ingevolge een ander wettelijk voorschrift. Uit hoofdstuk 4 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak blijkt niet dat hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit genomen op grond van (artikel 1.13 van) de Wkkp. Dit blijkt ook niet uit enig ander wettelijk voorschrift.
Dat betekent dat de Raad niet bevoegd is te oordelen over het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Daaraan staat niet in de weg dat de rechtbank het besluit heeft gekwalificeerd als een afwijzing van een aanvraag om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet.
De Raad zal het hoger beroepschrift met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb doorzenden naar de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) A.M. Pasmans (getekend) J.J.A. Kooijman
md