ECLI:NL:CRVB:2018:3719
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld wegens arbeidsgeschiktheid na psychiatrisch onderzoek
Appellante was werkzaam als operator en meldde zich ziek per 17 oktober 2011. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij ziekengeld op grond van de Ziektewet, gevolgd door een WW-uitkering. In 2013 meldde zij zich opnieuw ziek, waarna het UWV besloot het ziekengeld stop te zetten omdat zij hersteld was verklaard voor licht inpakwerk. Appellante voerde aan niet in staat te zijn te werken en stelde dat haar psychiatrische diagnose onvoldoende werd meegewogen.
De Raad benoemde een onafhankelijke psychiater die concludeerde dat er geen psychiatrisch ziektebeeld was dat arbeidsgeschiktheid zou verhinderen. Ook een andere psychiater die appellante onderzocht, onderschreef dit standpunt. Het UWV erkende in hoger beroep dat de juiste maatstaf arbeid de combinatie van haar functies als operator en inpakker voor 37 uur per week is, en dat appellante daartoe in staat is.
De Raad oordeelde dat het eerdere besluit niet deugdelijke motivering ontbeerde, maar dat dit gebrek niet tot benadeling van appellante leidde. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd dat appellante geen recht heeft op ziekengeld.