Uitspraak
2 november 2015, 15/1334 (aangevallen uitspraak)
E. van den Brink.
Centrale Raad van Beroep
Appellant vroeg op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan, welke door het UWV werd afgewezen. De verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), maar concludeerde dat appellant met passend werk nog minstens 75% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn psychische en fysieke beperkingen, waaronder autisme en vermoeidheidsklachten, niet volledig waren erkend en dat het onderzoek niet zorgvuldig was geweest. De Raad beoordeelde de medische gegevens, waaronder rapporten van polikliniek en verzekeringsartsen, en oordeelde dat de beperkingen juist waren weergegeven en dat er geen aanwijzingen waren voor onderschatting.
De Raad concludeerde dat appellant geschikt is voor de geselecteerde functies en dat het UWV terecht de aanvraag heeft afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een Wajong-uitkering is terecht afgewezen omdat hij geschikt is voor passend werk waarmee hij ten minste 75% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.