ECLI:NL:CRVB:2018:3721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WGA-loonaanvullingsuitkering na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek
Appellant, werkzaam als machinebediende, meldde zich in 2009 ziek met gewrichtsklachten. Het UWV kende hem een loongerelateerde WGA-uitkering toe vanaf 2011, met een arbeidsongeschiktheid van 100%. Vanaf 2012 kwam appellant in aanmerking voor een WGA-loonaanvullingsuitkering. In 2014 beëindigde het UWV deze uitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het UWV werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht en dat de geselecteerde functies passend waren bij de beperkingen van appellant. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, met name dat zijn psychische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet in staat was de functies te verrichten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep een herhaling was van eerdere bezwaren en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Raad vond geen aanwijzingen dat de beperkingen onjuist waren weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de functies geschikt waren. Het verzoek om een psychiater te benoemen werd afgewezen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de WGA-loonaanvullingsuitkering wordt bevestigd.