ECLI:NL:CRVB:2018:3723
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op nabestaandenuitkering wegens ontbreken arbeidsongeschiktheid volgens ANW
Appellante verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene Nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat haar echtgenoot niet verzekerd was en omdat appellante niet arbeidsongeschikt was volgens de ANW-criteria.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante niet de uitkomst van een arbeidsongeschiktheidsonderzoek wilde afwachten. Later concludeerde het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) dat appellante niet arbeidsongeschikt was. Appellante maakte bezwaar en ging in hoger beroep tegen dit besluit.
De Raad beoordeelde het medisch en arbeidskundig onderzoek zorgvuldig en vond dat appellante op grond van haar beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) in staat was om duurzaam loonvormende arbeid te verrichten. Haar argument dat zij de Nederlandse taal niet beheerst, leidde niet tot een ander oordeel omdat functies werden geselecteerd waarvoor mondelinge instructies volstaan.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens kende de Raad appellante een schadevergoeding toe van €1.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn, te betalen door de Svb en de Staat, en veroordeelde beide partijen in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en zij krijgt geen nabestaandenuitkering; wel wordt een schadevergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn.