ECLI:NL:CRVB:2018:3749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsaanvragen wegens onvoldoende financiële onderbouwing
Appellante diende twee aanvragen voor bijstand in op grond van de Participatiewet, waarbij zij als alleenstaande ouder haar financiële situatie moest aantonen. Bij de eerste aanvraag in juli 2016 werd zij verzocht om aan te tonen hoe zij sinds september 2014 in haar levensonderhoud voorzag. Appellante stelde dat haar ex-partner haar contant geld gaf voor huur en boodschappen, en dat zij leefde van toeslagen en kinderbijslag. Deze verklaring werd echter onvoldoende geacht omdat zij niet werd ondersteund door objectieve en verifieerbare gegevens.
Bij de tweede aanvraag in maart 2017 werd eveneens om bankafschriften gevraagd en moest zij aantonen hoe zij sinds september 2016 in haar levensonderhoud voorzag. Het college constateerde een discrepantie tussen de feitelijke uitgaven en de Nibudnorm, een algemeen geaccepteerd richtsnoer voor kosten van levensonderhoud. Appellante voerde aan dat zij minder uitgaf vanwege geldgebrek en steun van familie, maar kon dit niet met objectieve gegevens onderbouwen.
De rechtbanken verklaarden de beroepen ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken. De Raad oordeelde dat appellante niet voldeed aan haar medewerkingsplicht en onvoldoende aannemelijk had gemaakt hoe zij in haar levensonderhoud voorzag, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De afwijzingen van de aanvragen werden daarmee terecht gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens onvoldoende financiële onderbouwing.