ECLI:NL:CRVB:2018:3750
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand en terugvordering wegens niet gemelde gokwinsten
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht in het kader van een heronderzoek door de gemeente Rotterdam. Uit bankafschriften bleek dat er contante stortingen en geldopnames bij casino’s plaatsvonden. Appellant verklaarde dat deze stortingen gokwinsten betroffen. Het college trok de bijstand per 1 mei 2015 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode tot mei 2016 omdat appellant de inlichtingenverplichting zou hebben geschonden door de stortingen niet te melden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de stortingen zijn eigen geld betroffen en dat hij niet over de gokwinsten kon beschikken vanwege gokverliezen. Ook stelde hij dat de terugvordering buiten proportie was en dat het college vanwege dringende redenen van terugvordering had moeten afzien.
De Raad oordeelde dat appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk had gemaakt dat de stortingen eigen geld waren. De gokwinsten waren contant ontvangen en deels weer op de rekening gestort. De gokverliezen maakten niet dat appellant niet over de winsten kon beschikken. Het college had de inkomsten uit gokactiviteiten terecht als relevant voor de bijstand aangemerkt. Door het niet melden van deze inkomsten had appellant de inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De terugvordering was niet buiten proportie en er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Psychische klachten en schulden van appellant waren niet aannemelijk gerelateerd aan de terugvordering. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van bijstand en terugvordering wegens niet gemelde gokwinsten.