ECLI:NL:CRVB:2018:3763
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met rug-, schouder- en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de WIA-uitkering af. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen ernstiger zijn dan aangenomen en dat de geselecteerde functies niet passend zijn. De Raad oordeelde dat het medische onderzoek volledig en zorgvuldig was, waarbij verzekeringsartsen ook eigen onderzoek verrichtten en informatie van behandelaars betrokken. De Functionele Mogelijkhedenlijst was juist en de arbeidsdeskundige had de belasting van de functies adequaat toegelicht.
De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende medische gegevens overlegde die een ernstiger beperking aantonen en bevestigde dat hij in staat is de geselecteerde functies te verrichten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.