ECLI:NL:CRVB:2018:3777
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging Ziekengeld op grond van Ziektewet na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als engineer, meldde zich ziek op 23 maart 2015 terwijl hij een WW-uitkering ontving. Het UWV stelde na onderzoek door verzekeringsartsen vast dat appellant per die datum geschikt was voor zijn laatst verrichte arbeid en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen door het UWV en later ook door de rechtbank.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn pijnklachten hem ongeschikt maakten voor arbeid en dat sprake was van een bijzonder geval volgens de MAOC-richtlijn. Hij overlegde een brief van zijn internist-endocrinoloog ter onderbouwing. Het UWV handhaafde het eerdere besluit.
De Raad oordeelde dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat de medische rapporten geen afwijkingen toonden die het oordeel over geschiktheid voor arbeid ondermijnden. Appellant bracht geen objectiveerbare medische gegevens in die het oordeel konden weerleggen. Zijn stelling van ADL-afhankelijkheid werd niet gevolgd. Ook was er geen sprake van een bijzonder geval zoals bedoeld in de jurisprudentie.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.