Uitspraak
16.8067 WIA
14 november 2016, 16/1006 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig schoonmaakster, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding vanuit de WW. Het UWV stelde na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek vast dat zij 0% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat.
In hoger beroep stelde appellante volledig arbeidsongeschikt te zijn en voerde zij aan dat het medische onderzoek onzorgvuldig was en de geduide functies niet passend. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd die het oordeel konden ondermijnen.
De Raad vond ook dat de arbeidsdeskundige de functies voldoende had toegelicht en dat de bezwaren tegen de functie van productiemedewerker industrie niet slaagden. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering per 30 april 2015.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering per 30 april 2015.