ECLI:NL:CRVB:2018:3788
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit over hoogte WGA-vervolguitkering ondanks betwisting arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig bankwerker, ontving een WGA-vervolguitkering waarvan de hoogte per 1 december 2014 was vastgesteld op 42% van het minimumloon. Na een melding van verslechterde gezondheid vond een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaats, dat geen toegenomen beperkingen vaststelde. Het Uwv besloot de uitkering niet aan te passen, waarop appellant bezwaar maakte.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep paste de Functionele Mogelijkhedenlijst aan, wat leidde tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid en een aangepaste WGA-vervolguitkering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat het medisch oordeel niet onjuist was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen onjuist waren vastgesteld en dat onvoldoende rekening was gehouden met medicatiegebruik en verslavingsproblematiek. Hij bracht aanvullende medische stukken in. De Raad concludeerde dat deze informatie niet relevant was voor de datum in geschil en onderschreef de eerdere beoordeling. De geduide functies waren passend en het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.