ECLI:NL:CRVB:2018:3803
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als kantinemedewerkster, meldde zich ziek met psychische klachten en later darmklachten. Na diverse uitkeringen op grond van de Ziektewet en Werkloosheidswet vroeg zij een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd overwogen dat het onderzoek zorgvuldig was en haar klachten onvoldoende beperkingen veroorzaakten om de geselecteerde functies niet te kunnen uitvoeren.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunten over onvoldoende motivatie van het UWV en onderschatting van haar beperkingen, met name over het aantal toiletbezoeken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe medische informatie had overgelegd die haar beperkingen verder aantoonde. Ook achtte de Raad de argumenten over het toiletbezoek onvoldoende om het oordeel over de uitvoerbaarheid van functies te wijzigen.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 28 november 2018.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de WIA-uitkering wordt bevestigd.