ECLI:NL:CRVB:2018:3806
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toekenning militair invaliditeitspensioen wegens PTSS na dienst
Betrokkene diende tijdens en na de Tweede Wereldoorlog bij de Binnenlandse Strijdkrachten en de Koninklijke Marechaussee en nam deel aan een executie in 1947. Na het overlijden van betrokkene vroegen zijn erven een militair invaliditeitspensioen toegekend te krijgen wegens PTSS. De staatssecretaris wees dit af, stellende dat geen verband bestond tussen de dienst en de psychische aandoening.
De rechtbank kende het pensioen toe, stellende dat de militaire dienst een duidelijke factor was bij de verergering van de PTSS. In hoger beroep stelde de staatssecretaris dat de PTSS vooral voortkwam uit traumatische oorlogservaringen en dat de deelname aan de executie in 1947 geen duidelijke factor was.
De Raad volgde de staatssecretaris en oordeelde dat het rapport van de psychiater Schwarz onvoldoende gemotiveerd was en dat de executie niet als duidelijke factor kon worden aangemerkt. Het rapport van Van den Bosch kon niet worden betrokken vanwege het overlijden van betrokkene.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarmee de weigering tot toekenning van het militair invaliditeitspensioen werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt toegewezen en het beroep wordt ongegrond verklaard, waarmee het militair invaliditeitspensioen wordt geweigerd.