ECLI:NL:CRVB:2018:3807
Centrale Raad van Beroep
- Eerste en enige aanleg
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag uitkeringen op grond van Wuv en Wubo wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1936 uit een gemengd huwelijk, diende in februari 2016 een aanvraag in voor uitkeringen op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). De Pensioen- en Uitkeringsraad wees deze aanvragen af omdat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij vervolging had ondergaan of was getroffen door oorlogsgeweld.
De Raad overwoog dat appellante en haar broer niet als Joods waren geregistreerd en daardoor niet bekend waren bij de Duitse autoriteiten. Hierdoor was er geen sprake van vervolging of onderduik in de zin van de Wuv. Ook de omstandigheden waaronder zij de oorlogsjaren doorbracht, onderscheidden haar niet significant van andere kinderen uit gemengde huwelijken, zodat gelijkstelling met vervolgden niet aan de orde was.
Voor de Wubo oordeelde de Raad eveneens dat appellante niet had aangetoond dat zij lichamelijk of psychisch letsel had opgelopen door oorlogsgeweld of maatregelen van de bezetter. De bewering dat haar moeder een oproep tot melden en Jodensterren in huis had, werd niet bevestigd en strookte niet met de registratiegegevens.
Hoewel appellante overtuigend had toegelicht dat de oorlogsjaren een grote impact op haar leven hadden gehad, voldeed dit niet aan de wettelijke eisen voor toekenning van een uitkering. De beroepen werden daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: De beroepen van appellante worden ongegrond verklaard en de afwijzing van haar aanvragen op grond van de Wuv en Wubo blijft in stand.