ECLI:NL:CRVB:2018:3815
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat zij met ingang van 13 februari 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was en daardoor geen recht had op een WIA-uitkering. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen correct waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar psychische en fysieke beperkingen onvoldoende waren meegewogen, met name haar schouder-, nek- en rugklachten en een depressieve stoornis. Zij stelde dat de functionele mogelijkhedenlijst (FML) niet volledig haar beperkingen weerspiegelde en dat informatie van een cliëntondersteuner onterecht buiten beschouwing was gelaten.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep feitelijk een herhaling van eerdere gronden betrof en dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig en volledig was uitgevoerd. De medische informatie, inclusief psychische klachten, was adequaat betrokken bij de beoordeling. De Raad zag geen aanleiding om de beperkingen anders vast te stellen. Ook het feit dat appellante in 2016 alsnog een WIA-uitkering ontving vanwege een hernia-operatie deed hieraan niet af.
De Raad bevestigde dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellante en dat het bestreden besluit terecht is genomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt.