ECLI:NL:CRVB:2018:3834
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellante is sinds 2001 arbeidsongeschikt en ontvangt sinds 2002 een WAO-uitkering. Na een nieuwe ziekmelding in 2013 en een verslechtering van haar gezondheid in 2015 heeft het UWV haar uitkering herzien op basis van medisch en arbeidskundig onderzoek. De herziening betrof een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit en voerde onder meer aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen, mede door fibromyalgie, te licht waren ingeschat. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante bewust had afgezien van een hoorzitting en dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. Tevens concludeerde de rechtbank dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de geselecteerde voorbeeldfuncties passend waren.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank. De door appellante overgelegde medische stukken bevatten geen nieuwe gegevens die het oordeel zouden ondermijnen. De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige hadden voldoende rekening gehouden met de fysieke en psychische beperkingen. Het verzoek om inschakeling van een onafhankelijke deskundige en om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening van de WAO-uitkering naar 25-35% arbeidsongeschiktheid en wijst het hoger beroep en schadevergoedingsverzoek af.