ECLI:NL:CRVB:2018:3859
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M. Schoneveld
- A. Stehouwer
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Betrokkene ontving bijstand als alleenstaande ouder en werd door het dagelijks bestuur aangesproken op het niet melden van een gezamenlijke huishouding met [X]. Het Uwv had eerder toeslag ingetrokken en teruggevorderd wegens gezamenlijke huishouding in een eerdere periode. Het dagelijks bestuur trok vervolgens de bijstand in en vorderde terugbetaling over de periode van 20 februari 2014 tot 28 februari 2015.
De rechtbank oordeelde dat voor de eerste periode (20 februari 2014 tot 11 juli 2014) sprake was van een gezamenlijke huishouding, gebaseerd op verklaringen van [X], en vernietigde het besluit voor de tweede periode wegens gebrek aan bewijs. Betrokkene en het dagelijks bestuur gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat in de eerste periode sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat betrokkene de inlichtingenplicht had geschonden. Voor de tweede periode ontbrak een toereikende grondslag voor intrekking en terugvordering. De hoger beroepen werden verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding in periode 1, maar verwerpt de intrekking voor periode 2.