Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet, welke werd ingetrokken vanwege haar detentie vanaf 4 augustus 2017. Zij vroeg bijzondere bijstand aan voor de huurkosten van haar woning gedurende haar detentieperiode, die langer dan zes maanden zou duren. Het college wees dit af op grond van een gemeentelijk beleid dat bijstand voor vaste lasten tijdens detentie slechts voor maximaal zes maanden wordt verstrekt.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellante in hoger beroep ging. De Raad stelde vast dat appellante geen recht op bijstand heeft tijdens detentie, tenzij er zeer dringende redenen zijn, welke hier niet aanwezig waren. Het college stelde dat er een vaste uitvoeringspraktijk is om bijstand niet te verlenen bij detentie langer dan zes maanden, maar kon dit onvoldoende onderbouwen.
De Raad concludeerde dat het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een vaste uitvoeringspraktijk bestaat, mede omdat gegevens over afwijzingen ontbraken en enkele uitzonderingen op de toekenning bestonden. Hierdoor was het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en werd het vernietigd. Het college werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het recht op beroep bij de Raad blijft. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten.