ECLI:NL:CRVB:2018:388

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 februari 2018
Publicatiedatum
8 februari 2018
Zaaknummer
15/5196 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag na intrekking en bezwaar

Appellante diende op 2 juli 2014 een aanvraag om bijstand in, welke door het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam aanvankelijk werd afgewezen wegens het niet verstrekken van volledige en controleerbare gegevens. Na bezwaar werd de aanvraag alsnog buiten behandeling gesteld en uiteindelijk definitief afgewezen omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder de gevraagde gegevens.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad overwoog dat de periode die door de bestuursrechter moet worden beoordeeld loopt vanaf de datum van de aanvraag tot de datum van de beslissing op bezwaar.

De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende inzicht heeft gegeven in de relevante feiten en omstandigheden omtrent haar erfenis en andere gevraagde gegevens, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsaanvraag van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende verstrekte gegevens.

Uitspraak

15/5196 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
16 juni 2015, 15/511 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 6 februari 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. Aytemur, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 16/2114 WWB en 16/2116 WWB tot en met 16/2119 WWB, plaatsgevonden op 4 december 2017. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aytemur. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. S.S. Kisoentewari. In de zaken 16/2114 WWB en 16/2116 WWB tot en met
16/2119 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad verwijst voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden naar zijn uitspraak van heden in de zaken 16/2114 WWB en 16/2116 WWB tot en met 16/2119 WWB en voegt hieraan het volgende toe.
1.1.
Appellante heeft op 2 juli 2014 wederom een aanvraag om bijstand ingediend. Bij brief van 10 juli 2014 heeft het college appellante verzocht voor 24 juli 2014 nadere gegevens over te leggen, waaronder een overlijdensakte van haar vader, controleerbaar en verifieerbaar bewijs van haar aandeel in zijn erfenis, controleerbaar en verifieerbaar bewijs waaruit blijkt waarvoor zij haar aandeel in deze erfenis heeft aangewend, het volledige adres van het appartement waarover zij op 20 januari 2014 heeft verklaard, een eigendomsakte van het appartement en een recent en deugdelijk taxatierapport van het appartement.
1.2.
Appellante heeft hierop een toestemming teraardebestelling van haar op 7 februari 1998 te Turkije overleden ouders en een aangifte van onroerend goed belasting door haar zoon [naam zoon] van 21 juli 2014 in verband met een woning te [plaatsnaam] overgelegd. Bij besluit van 1 september 2014 heeft het college de aanvraag van 2 juli 2014 afgewezen op de grond dat onvolledige inlichtingen zijn verstrekt waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 17 september 2014 heeft het college, onder intrekking van het besluit van 1 september 2014, appellante alsnog in de gelegenheid gesteld om in die brief nader genoemde gegevens op te sturen vóór 1 oktober 2014. Het gaat met name om controleerbaar en verifieerbaar bewijs waaruit blijkt wat appellante met haar erfenis heeft gedaan. Op 29 september 2014 heeft appellante op dit verzoek gereageerd en stukken overgelegd. Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft het college de aanvraag van 2 juli 2014 buiten behandeling gesteld.
1.3.
Bij besluit van 17 december 2014 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 9 oktober 2014 onder wijziging van gronden ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat de gevraagde gegevens nodig zijn om het recht op bijstand vast te stellen. Zolang deze gegevens ontbreken, is het recht niet vast te stellen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft in het kader van de onderhavige procedure dezelfde gronden aangevoerd als in de zaken 16/2114 WWB en 16/2116 WWB tot en met 16/2119 WWB.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In een geval waarin het bijstandverlenend orgaan een aanvraag om bijstand met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht buiten behandeling heeft gesteld en na bezwaar bij de beslissing op bezwaar alsnog inhoudelijk op die aanvraag heeft beslist, vangt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel aan op de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Die periode eindigt op de datum van de beslissing op bezwaar of - zo het bijstandverlenend orgaan de betrokkene met ingang van een eerdere datum bijstand heeft verleend - tot aan die eerdere datum. Het voorgaande betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 2 juli 2014 tot en met 17 december 2014.
4.2.
Ook bij de onderhavige besluitvorming heeft het college alle door appellante in het kader van diverse aanvragen en procedures overgelegde stukken en gegevens betrokken. Uit wat is overwogen in de in 1 vermelde uitspraak, waarin die stukken en gegevens zijn beoordeeld, volgt dat appellante geen volledig inzicht heeft gegeven met betrekking tot de feiten en omstandigheden die van belang zijn voor de vaststelling van het recht op bijstand. Daardoor heeft zij niet aannemelijk gemaakt dat dit recht alsnog kan worden vastgesteld. Dit geldt ook ten aanzien van de hier te beoordelen periode.
4.3.
Met de rechtbank wordt dan ook geoordeeld dat het college de aanvraag van appellante van 2 juli 2014 terecht heeft afgewezen.
4.4.
Uit 4.2 en 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van J.M.M. van Dalen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2018.
(getekend) Y.J. Klik
(getekend) J.M.M. van Dalen
HD