ECLI:NL:CRVB:2018:3883
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van €45.247,58. Het zorgkantoor stelde dit bij besluit van 28 maart 2015 vast op €34.488,72 en vorderde €10.758,86 terug wegens gebrekkige verantwoording. Appellante maakte bezwaar en gaf aan dat kosten voor zorgverlener over januari tot maart 2014 abusievelijk niet waren opgegeven.
Het zorgkantoor verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellante niet voldeed aan de administratieve verplichtingen: er ontbraken zorgovereenkomsten, facturen bevatten geen urenoverzichten, betalingen waren deels contant en niet op het juiste rekeningnummer gedaan. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep.
De Raad benadrukte dat de verantwoording van het pgb de eigen verantwoordelijkheid van de verzekerde is, ook als het beheer door een bewindvoerder gebeurt. Appellante slaagde er niet in aannemelijk te maken tegen welk tarief zorg was verleend en dat betalingen daadwerkelijk aan de zorgverlener waren gedaan. De belangenafweging leidde tot het oordeel dat het zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld en het bedrag terugvorderde.
Er werd geen aanleiding gezien om de terugvordering te matigen of het bezwaar alsnog gegrond te verklaren. De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Rotterdam en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering van het pgb wordt bevestigd.