ECLI:NL:CRVB:2018:3889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering en terugvordering onverschuldigde betalingen
Appellant, woonachtig in Duitsland, heeft een WIA-uitkering ontvangen die het UWV op grond van medische beoordelingen heeft beëindigd per 24 mei 2014. Het UWV ontving later nieuwe medische informatie uit Duitsland, maar concludeerde dat deze geen aanleiding gaf om het eerdere besluit te herzien. De uitkering was onterecht doorbetaald over de periode 24 mei 2014 tot 1 augustus 2015, waarna het UWV het bedrag van €12.914,79 terugvorderde.
Appellant maakte bezwaar tegen de beëindiging en terugvordering, stellende dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat het verschil tussen Nederlandse en Duitse wetgeving onrechtvaardig is. Ook voerde hij aan dat hem geen verwijt treft voor de fout van het UWV en dat hij niet kan terugbetalen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak.
De Raad overweegt dat de medische rapporten van het UWV overtuigend zijn en dat de Functionele Mogelijkhedenlijst correct is vastgesteld. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat geen ondubbelzinnige toezegging is gedaan. Het verschil in wetgeving tussen Nederland en Duitsland rechtvaardigt geen andere beoordeling. De draagkracht van appellant voor terugbetaling is een kwestie voor de invordering.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit van het UWV en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering en de terugvordering van onverschuldigde betalingen.