ECLI:NL:CRVB:2018:3926

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 december 2018
Publicatiedatum
6 december 2018
Zaaknummer
14/4841 WWAJ
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 8:36 AwbArt. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk na volledige tegemoetkoming UWV en vergoeding redelijke termijnoverschrijding

Appellant diende een aanvraag in bij het UWV op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010), welke aanvankelijk werd afgewezen. Het bezwaar van appellant werd door het UWV ongegrond verklaard en de rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond.

In hoger beroep heeft het UWV bij besluit van 6 juni 2018 het bezwaar alsnog gegrond verklaard en appellant met terugwerkende kracht vanaf 26 april 2013 in aanmerking gebracht voor een Wajong-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Tevens werd een vergoeding voor de kosten van bezwaar toegekend. Hierdoor was er geen belang meer bij het hoger beroep, dat daarom niet-ontvankelijk werd verklaard.

Appellant had daarnaast een verzoek ingediend tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De Raad oordeelde dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn had overschreden, met name door de lange duur van het hoger beroep. Gelet hierop werd de Staat veroordeeld tot een immateriële schadevergoeding van €1.500,-. Ook werden proceskosten van appellant toegekend voor de behandeling van het beroep en hoger beroep, inclusief kosten van deskundigen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat het UWV het bezwaar volledig heeft gehonoreerd; de Staat is veroordeeld tot een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

14.4841 WWAJ

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van
31 juli 2014, 14/472 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 5 december 2018
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.S. Lassche, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een expertiserapport van 11 april 2016, opgesteld door de psychiater
J.L.M. Schoutrop, ingediend.
Partijen hebben over en weer reacties ingediend.
De Raad heeft dr. P. Naarding, psychiater, als deskundige benoemd teneinde van verslag en advies te dienen. De deskundige heeft op 18 april 2018 een rapport uitgebracht.
Bij besluit van 6 juni 2018 heeft het Uwv een nieuwe beslissing op bezwaar genomen.
Appellant heeft zich met het besluit van 6 juni 2018 kunnen verenigen, maar heeft wel verzocht om een vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb, is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna het onderzoek is gesloten.
Naar aanleiding van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is de Staat als partij aangemerkt.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 5 juli 2013 heeft het Uwv de door appellant ingediende aanvraag ingevolge de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong 2010) afgewezen. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 20 januari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep is door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van appellant om schadevergoeding afgewezen.
3.1.
Bij het onder het procesverloop vermelde besluit van 6 juni 2018 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 juli 2013 alsnog gegrond verklaard en appellant met ingang van 26 april 2013 alsnog in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wajong 2010 naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Daarnaast heeft het Uwv appellant een vergoeding in de kosten van bezwaar ter hoogte van een bedrag van
€ 974,- toegekend.
3.2.
Met het besluit van 6 juni 2018 is het Uwv volledig aan de bezwaren van appellant tegen het bestreden besluit tegemoet gekomen, zodat appellant geen belang meer heeft bij een oordeel in hoger beroep in deze zaak.
3.3.
Naar aanleiding van het verzoek van appellant om schadevergoeding en vergoeding van proceskosten wordt het volgende overwogen.
3.4.
Appellant heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden (EVRM).
3.5.
Of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat daarbij van belang zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van appellant gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van appellant.
3.6.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd (CRvB 26 januari, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen.
3.7.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst door het Uwv op
6 augustus 2013 van het bezwaarschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak zijn vijf jaar en ruim vier maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv vijf maanden geduurd. Vanaf de ontvangst door de rechtbank op
25 februari 2014 van het beroepschrift van appellant heeft de behandeling van het beroep door de rechtbank ruim vijf maanden geduurd. De behandeling van het hoger beroep heeft vanaf de ontvangst door de Raad op 29 augustus 2014 van het hoger beroepschrift van appellant tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim drie maanden geduurd. Dit betekent dat de redelijke termijn is geschonden door de Raad.
3.8.
In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is geschonden (CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009). Er is geen aanleiding hiervan af te wijken. De Staat zal, gelet op de overschrijding van een jaar en ruim drie maanden, worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellant ten bedrage van € 1.500,-.
4. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze worden, onder toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.002,- in beroep en op € 501,- in hoger beroep, in totaal € 1.503,-. Tevens heeft appellant verzocht om vergoeding van de kosten van partijdeskundige J.L.M. Schoutrop, psychiater, van, inclusief secretariële werkzaamheden, in totaal € 3.569,-. Deze kosten zijn gebaseerd op een tweetal rapporten, waarvoor twintig uren zijn gedeclareerd. De Raad stelt vast, met inachtneming van wat is overwogen in artikel 8:36, tweede lid, van de Awb, en artikel 2, eerste lid, en onder a, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, dat bij het verrichten van een psychiatrisch onderzoek het uurtarief van de geneeskundige maximaal € 121,95 bedraagt. In het tweede lid van voornoemd artikel is bepaald dat ten hoogste 14 uur voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betekent dat van het voormelde bedrag van € 3.569,- een bedrag van 14 x € 121,95 plus btw voor vergoeding in aanmerking komt, zijnde een bedrag van € 2.065,83. Tevens komen voor vergoeding in aanmerking de kosten van de door appellant geraadpleegde deskundige W. Elsman, arbeidsdeskundige/juridisch adviseur bij Elsman Support, zijnde een bedrag van € 205,70 inclusief btw. De totale vergoeding voor de deskundigen bedraagt
€ 2.271,53. De totale door het Uwv te vergoeden proceskosten bedragen € 3.774,53.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag € 3.774,53;
  • bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger betaalde griffierecht van in
totaal € 167,- vergoedt;
- veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding voor immateriële schade tot een bedrag € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris, in tegenwoordigheid van L. Boersma als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 december 2018.
(getekend) A.I. van der Kris
(getekend) L. Boersma
IvR