Uitspraak
20 september 2016, 16/2046 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, sinds 1990 betonwerker, viel in september 2013 uit wegens lichamelijke klachten. Hij vroeg in juni 2015 een WIA-uitkering aan, maar het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de medische rapportages zorgvuldig waren en geen aanwijzingen voor een urenbeperking van 40 uur per week bestonden.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn vermoeidheidsklachten onvoldoende waren meegewogen en dat hij niet fulltime kon werken. De Raad concludeerde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het eerdere oordeel zouden veranderen. De brief van de huisarts en verwijzing naar de orthopedie na de datum van het besluit boden geen steun voor zijn standpunt.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen grond was voor een urenbeperking. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen.