ECLI:NL:CRVB:2018:3985

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 november 2018
Publicatiedatum
13 december 2018
Zaaknummer
18/5202 WLZ-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 lid 3 Vo 883/2004Art. 13 lid 2 Vo 883/2004Art. 8:108 AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening inzake verzekeringsstatus Wet langdurige zorg per 1 februari 2014

Verzoekster heeft hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de rechtbank die het standpunt van de Sociale Verzekeringsbank (Svb) bevestigde dat zij vanaf 1 februari 2014 niet verzekerd was voor de Wet langdurige zorg (Wlz) omdat zij uitsluitend buiten Nederland werkte.

De voorzieningenrechter oordeelt dat op basis van het door verzoekster ingenomen en plausibel geachte standpunt en het bewijsaanbod niet kan worden uitgesloten dat de Nederlandse wetgeving wel van toepassing is vanaf 1 februari 2014. Definitieve duidelijkheid kan pas worden gegeven nadat verzoekster bewijsstukken heeft overgelegd en de Svb hierop heeft gereageerd.

Daarom wordt de voorlopige voorziening toegewezen, waarbij verzoekster geacht wordt verzekerd te zijn ingevolge de Wlz vanaf 1 februari 2014 tot zes weken na de beslissing op het hoger beroep of intrekking daarvan. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, verzoekster geacht verzekerd per 1 februari 2014 tot beslissing hoger beroep.

Uitspraak

18/5202 WLZ-VV
Datum uitspraak: 29 november 2018
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens verzoekster heeft mr. R. de Kamper hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 7 mei 2018 (17/2414).
Namens verzoekster heeft mr. De Kamper ook een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door mr. De Kamper. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door K. van Ingen.

OVERWEGINGEN

1. Bij beslissing op bezwaar van 20 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het besluit van 13 juli 2017 gehandhaafd. De Svb heeft daarbij het standpunt ingenomen dat verzoekster met ingang van 1 februari 2014 niet verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz) omdat zij uitsluitend buiten Nederland werkt. Dit volgt uit artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van Verordening (EG) nr. 883/2004 (Vo 883/2004).
2. Bij de in hoger beroep aangevochten uitspraak van 7 mei 2018 heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat uit artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van Vo 883/2004 volgt dat de wetgeving van Duitsland van toepassing is, omdat verzoekster in Nederland woont en uitsluitend in Duitsland werkzaamheden verricht.
3. Verzoekster heeft zich ter zitting van de voorzieningenrechter mede op het standpunt gesteld dat zij ook in Nederland werkzaamheden (heeft) verricht ten behoeve van haar in Duitsland gevestigde winkel. Op grond van artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van
Vo 883/2004 is de wetgeving van Nederland van toepassing.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 8:108, eerste lid, in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Gelet op de door verzoekster ingediende stukken is sprake van een voldoende spoedeisend belang.
4.2.
Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden bezien of, op grond van een afweging van de wederzijds in aanmerking komende belangen bij een al dan niet onmiddellijke uitvoering van de aangevallen uitspraak, het verzoek om een voorlopige voorziening dient te worden toegewezen. In het algemeen speelt bij deze belangenafweging een rol de vraag of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven en dat daarna de uiteindelijke uitkomst van de procedure aanmerkelijk anders zal zijn. Deze toetsing kan meebrengen dat de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel geeft over het geschil in de bodemprocedure.
4.3.
Gelet op het onder punt 3 omschreven, en plausibel geachte, standpunt en het bewijsaanbod dat door verzoekster is gedaan, is de voorzieningenrechter voorlopig van oordeel dat op voorhand niet is uit te sluiten dat op verzoekster per 1 februari 2014 de Nederlandse wetgeving van toepassing is. Hier kan pas uitsluitsel over worden gegeven als verzoekster de in haar bezit zijnde bewijsstukken aandraagt en de Svb zich daarover heeft uitgelaten. Het hoger beroep kan om die reden een redelijke kans van slagen niet worden ontzegd.
4.4.
De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst tot op het hoger beroep is beslist.
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de Svb te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Deze kosten worden begroot op € 1.002,- aan kosten van rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep
- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb toe;
- bepaalt dat verzoekster geacht moet worden met ingang van 1 februari 2014 verzekerd te zijn ingevolge de Wlz tot zes weken nadat door de Raad op het hoger beroep is beslist dan wel tot het hoger beroep is ingetrokken;
- veroordeelt de Svb in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.002,- aan kosten van rechtsbijstand;
- bepaalt dat de Svb aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht van € 126,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van M.A.A. Traousis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 november 2018.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) M.A.A. Traousis

OS