ECLI:NL:CRVB:2018:3986
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant viel op 8 oktober 2013 uit voor zijn werk als medewerker groenvoorziening en vroeg op 6 juli 2015 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde bij besluit van 25 september 2015 vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Het bezwaar werd op 26 februari 2016 ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, omdat de medische rapporten en conclusies van de verzekeringsartsen zorgvuldig waren en de beperkingen als gevolg van posttraumatische artrose in de linkerknie voldoende waren meegenomen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij meer beperkt was dan aangenomen, met name vanwege posttraumatische artrose die kan verslechteren, spanningsklachten en reumatische artrose. De Centrale Raad van Beroep volgde echter het oordeel van de rechtbank en het UWV dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep adequaat had gemotiveerd dat de beperkingen juist waren vastgesteld, ook rekening houdend met de mogelijke toekomstige verslechtering van de artrose.
De Raad stelde vast dat de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellant afdoende was gemotiveerd en dat het hoger beroep daarom niet slaagde. Er werd geen aanleiding gezien om de verzekeringsartsen niet te volgen en geen proceskosten werden toegewezen. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.