ECLI:NL:CRVB:2018:3991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door uitzendbedrijf
Appellante, een uitzendbedrijf, had onvoldoende re-integratie-inspanningen verricht voor een werkneemster die sinds januari 2014 wegens ernstige buikpijnklachten arbeidsongeschikt was. Diverse functionele mogelijkhedenlijsten (FML) en arbeidsdeskundige rapporten toonden aan dat werkneemster weinig tot geen restcapaciteit had, maar dat een activeringstraject in het tweede spoor mogelijk was.
Het UWV stelde vast dat appellante onvoldoende onderzoek had gedaan naar passende mogelijkheden in het eerste spoor en dat het activeringstraject te laat was gestart en gebaseerd was op verouderde FML's. Hierdoor werd een loonsanctie opgelegd, die door de rechtbank werd bevestigd. Appellante voerde in hoger beroep aan dat de beoordeling van het UWV onjuist was, onder meer omdat de verzekeringsarts de inschatting van de bedrijfsarts als uitgangspunt had moeten nemen.
De Raad oordeelde dat het UWV terecht had vastgesteld dat de re-integratie-inspanningen onvoldoende waren en dat appellante niet had voldaan aan haar verplichtingen. De Raad bevestigde het bestreden besluit en de loonsanctie, waarbij werd meegewogen dat het activeringstraject eerder had kunnen starten en dat de arbeidsdeskundigen van het UWV terecht hadden geconcludeerd dat er tekortkomingen waren in het re-integratiebeleid van appellante.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante.