Appellante, werkzaam als verzorgende bejaarden, viel uit wegens rugklachten en kreeg een IVA-uitkering toegekend. Na een herbeoordeling stelde het UWV beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en trok de uitkering per 9 maart 2014 in. Appellante maakte bezwaar en voerde aan dat haar beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat zij de geselecteerde functies niet kon verrichten.
De Raad benoemde een onafhankelijke verzekeringsarts die concludeerde dat appellante beperkt was voor zwaar rugbelastende arbeid, maar niet volledig arbeidsongeschikt was. De medische beperkingen waren juist weergegeven in de FML van 14 november 2013. Andere klachten zoals nekklachten, carpaaltunnelsyndroom en psychische klachten gaven geen aanleiding tot extra beperkingen op de datum in geding.
De Raad volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige en bevestigde de intrekking van de IVA-uitkering. Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn van ruim vier jaar en tien maanden voor de procedure was overschreden, waarvoor de Staat een schadevergoeding van €1.000,- aan appellante moest betalen. Tevens werd de Staat veroordeeld in de proceskosten van appellante ter hoogte van €250,50.