ECLI:NL:CRVB:2018:4039
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante vroeg een individuele inkomenstoeslag aan bij het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, welke aanvankelijk werd afgewezen maar later alsnog toegekend op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de toeslag van €50,- niet adequaat is gemotiveerd ten opzichte van het armoedebeleid en dat het onredelijk is om één toeslag voor alle leefvormen te hanteren, omdat bijvoorbeeld gezinnen met kinderen minder bestedingsruimte hebben dan alleenstaanden.
De Raad oordeelde dat noch uit de wetsgeschiedenis van de Participatiewet noch uit die van de langdurigheidstoeslag in de WWB blijkt dat de wetgever een minimum- of maximumhoogte van de toeslag heeft beoogd, noch dat differentiatie naar leefvorm vereist is. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin deze punten reeds zijn bevestigd en concludeerde dat de Verordening en het besluit van het college standhouden onder de terughoudende toetsing van het algemeen verbindende voorschrift.
Het hoger beroep faalt derhalve en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Rotterdam bevestigd.