ECLI:NL:CRVB:2018:404
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WIA-uitkering en bezwaarclausule bij arm- en psychische beperkingen
Appellant, sinds 1986 worstenmaker, viel in 2012 uit wegens elleboogklachten en vroeg in 2013 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en wees de uitkering af. Appellant maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde het besluit na zorgvuldige beoordeling van medische rapporten en arbeidsdeskundige adviezen.
In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was, onder meer omdat geen aanvullende informatie was ingewonnen bij de behandelend orthopedisch chirurg en psychotherapeut. Ook voerde hij aan benadeeld te zijn door een bezwaarclausule die het inschakelen van een gemachtigde zou verhinderen. De Raad oordeelde dat de bezwaarclausule correct was gecommuniceerd en geen benadeling opleverde, mede omdat appellant zich in hoger beroep wel door een gemachtigde liet bijstaan.
De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) goed onderbouwd. De arbeidsdeskundige had overtuigend aangetoond dat appellant geschikt was voor geselecteerde voorbeeldfuncties. Hoewel het oorspronkelijke besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, was er geen sprake van benadeling, zodat het besluit in stand kon blijven. Appellant werd gewezen op de mogelijkheid tot melding bij toename van beperkingen. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het UWV-besluit dat appellant geen recht heeft op WIA-uitkering vanaf 22 februari 2015 wordt bevestigd.