ECLI:NL:CRVB:2018:4051
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit individuele inkomenstoeslag zonder differentiatie naar leefvorm
Appellante diende op 30 mei 2016 een aanvraag in voor een individuele inkomenstoeslag, die aanvankelijk werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Na bezwaar kende het college alsnog de toeslag toe op basis van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet Rotterdam 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep. Appellante voerde aan dat de hoogte van de toeslag van €50 niet gemotiveerd was in relatie tot het armoedebeleid en dat het onredelijk was om één toeslag voor alle leefvormen vast te stellen, omdat dit bijvoorbeeld nadelig zou zijn voor gezinnen met kinderen.
De Raad oordeelde dat uit de wetsgeschiedenis noch de wetgever blijkt dat er een minimum- of maximumhoogte van de toeslag is beoogd, noch dat differentiatie naar leefvorm noodzakelijk is. De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin deze punten reeds zijn bevestigd. De keuze voor één toeslag voor alle leefvormen kan de terughoudende toetsing van het algemeen verbindend voorschrift doorstaan. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.